|
 |
Home page Activiteiten Cursus in wonderen
|
 |
 |
|
EEN CURSUS IN WONDEREN op www.vrijzinnig.net
beweging voor eigentijds geloven
http://www.eencursusinwonderen.com
http://www.het-wonder.nl
|
 |
|
|
MET EEN CURSUS IN WONDEREN
Vanaf oktober 2003 bestaat er een gespreksgroep over "een cursus in wonderen ". Plaats: NPB-kerkgebouw. Kerkstraat 10, Brielle.
Toegangsprijs € 20,- voor de hele cyclus van 8 bijeenkomsten. Inlichtingen kunt u inwinnen onder telefoonnummer 0181-415119,
E-MAIL mailto:wvjagt@hetnet.nl
of indien u geen gehoor vindt onder telefoonnummer 0181-415119, of telefoonnummer 0181-404040, of telefoonnummer 0181-413460.
e-mail
mailto:k.elzinga@planet.nl
De Vrijzinnige Geloofsgemeenschap NPB Voorne-Putten en Rozenburg starten binnenkort een eigen website:
http://www.npb-brielle.nl
Voor het jaarprogramma van deze NPB wordt naar deze website verwezen.
|
 |
|
|
Voor meer bijzonderheden verwijzen we naar de website: http://www.miraclesincontact.nl
|
 |
|
|
Een weg naar de Nederlandse Quakers
Hoe vindt een ‘buitenstaander’ de weg naar het Religieus Genootschap der Vrienden? De Vrienden zijn nu eenmaal niet prominent aanwezig in Nederland, en voordat de website bestond waren ze zelfs erg moeilijk te vinden, zo ondervond ik indertijd als zoekende. Voor de meeste Quakers zal wel gelden, denk ik, dat ze hun weg niet hoefden zoeken, maar daarop gezet werden door hun ouders of partners; misschien zelfs door vrienden of kennissen. Wat mijzelf betreft, was het een boek dat mij de weg wees naar de Quakers. Misschien komt dat wel vaker voor, en is de weg naar de Quakers geplaveid met goede boeken…?
Het boek dat mij de weg wees heet A Course in Miracles, in de zeventiger jaren in Amerika uitgegeven en daarna in de rest van de wereld bekend geworden. Het wordt door miljoenen mensen gelezen en bestudeerd; vooral dit laatste, want het is opgezet als een zelfstudie-cursus. Het is in Nederland uitgebracht na een ruim tien jaar durend vertaalproces, waaraan een team van mensen werkte. Naar mijn mening heel veel; en ik heb misschien enig recht van spreken, omdat ik enthousiast ‘cursist’ én Quaker ben. Ik wil daarom graag in dit artikel uitleggen wat die verbindende schakel is, met een tweeledig doel: om de Vrienden te informeren over dit interessante boek en ook, wie weet, om misschien Course-studenten een weg te wijzen naar de Quaker ‘worship’, die zo naadloos aansluit bij de geest van A Course in Miracles.
Voor Quaker-lezers moet ik allereerst even in het kort vertellen hoe ACIM is ontstaan. Het is een wonderlijk verhaal. Helen Schucman en William Thetford, indertijd werkzaam als psychologen aan Columbia University in New York, hebben in de zeventiger jaren de cursus gezamenlijk op schrift gesteld, maar geen van beiden wilde (co-)auteur van het boek genoemd worden. Waarom niet? Omdat ze de inhoud niet zelf bedacht hadden. Helen Schucman kreeg tot haar eigen niet geringe verbazing de tekst te horen via innerlijk dictaat door een geluidloze stem, die naar believen onderbroken kon worden, en die op een later moment precies weer verder ging waar hij was gebleven. Zij noteerde wat ze hoorde in steno, en Bill Thetford werkte daarna deze aantekeningen uit. Al met al duurde dit gezamenlijke (op-)schrijfproces zeven jaar. De beide psychologen, zich bewust van hun positie als onderzoekers aan een gerenommeerde universiteit, geneerden zich nogal voor de hele toestand, en deden niet veel moeite om het manuscript uitgegeven te krijgen. Toen het boek er toch kwam, en bekend begon te worden, hebben ze dan ook nooit auteursrechten willen claimen. (Overigens leidde de vraag naar de auteursrechten tot een interessante rechtszaak, maar dat is een ander verhaal).
Het zal Quakers aanspreken dat A Course in Miracles (verder ACIM te noemen) eerder praktisch dan theoretisch gericht is, en dat het religieuze ervaring, niet theologie, voorop stelt. In de woorden van ACIM: ‘a universal theology is impossible, but a universal experience is not only possible but necessary.’ Met klem wordt de lezer gezegd dat het er in deze cursus niet gaat om het accepteren van een geloofssysteem, maar in praktijk brengen van de oefeningen in naastenliefde, vergeving en geweldloosheid. Het boek wil niet meer zijn dan een cursus voor beginners (en wie, vraag ik me af, is geen beginner op geestelijk gebied?) en pretendeert niet het uiteindelijke en volledige antwoord te leveren. Doel van de cursus is om de weg te wijzen naar een manier van leven die afgestemd is op het luisteren naar innerlijke leiding. Quakers streven ook naar een dergelijke manier van leven. Zoals George Fox, stichter van de Quakers, zei: ‘Your teacher is within you; look not forth.’ Het slotwoord van ACIM zal dan ook speciaal Quakers aanspreken: ‘Henceforth, hear but the Voice for God…He will direct your efforts, telling you exactly what to do, how to direct your mind, and when to come to Him in silence, asking for His sure direction, and His certain Word.’ Ook Fox riep de mensen op om op hun innerlijke stem te vertrouwen, ‘There is one, even Jesus Christ, that can speak to thy condition.’ Misschien is het voor Quakers daarom niet helemaal onvoorstelbaar dat de stem die de cursus dicteerde van Jezus zou kunnen zijn. Op de vraag of Jezus nu echt de maker van dit boek is, zullen de meeste ‘cursisten’ bevestigend antwoorden, en ook voor mij staat dit wel vast, maar eigenlijk is deze vraag niet heel belangrijk. Voor mij was de grote ontdekking bij het lezen van het boek dat hier een uitermate heldere, samenhangende en logische uitleg gegeven wordt van voor de menselijke geest moeilijk te begrijpen zaken als de relaties tussen God, Christus, Heilige Geest, mens, medemens, en tussen ziel/geest/verstand/lichaam. Het boek is didactisch perfect samengesteld, met een stap-voor-stap opgebouwd tekstboek, een slim uitgedokterd werkboek, en ook een ‘handboek voor leraren’ met antwoorden op veel voorkomende vragen (Is er Reincarnatie?). Het taalgebruik is helder, precies, en vaak heel beeldend (tenminste, in de originele Engelstalige versie die ik heb; van de Nederlandse kan ik alleen melden dat het een veel dikker boek geworden is).
Het boek werd mijn wegwijzer naar de Quakers allereerst door de stilte-oefeningen, die eerst heel gemakkelijk (en kort) waren en pas later wat langer duurden. En toen het zover was dat ik ’s ochtends en ’s avonds tien minuten stilte weldadig begon te vinden, werden ook de gezamenlijk beleefde stilte-momenten in de (N-H-)kerkdienst heel waardevol voor mij. Maar, zoals menige Vriend zal beamen, die enkele momenten in de kerkdienst zijn veel te kort, en daarom was het voor mij een hele ontdekking (door boeken van Jan de Hartog) dat de Quaker-’kerkdienst’ bestaat uit een uur lang samen stil zijn. Dat wilde ik wel eens meemaken, en zo begon de zoektocht, die eindigde toen Els Ramaker mij een hartelijk welkomstkaartje voor de NON-meeting zond. Het is voor mij heel duidelijk dat met mij niet zover was gekomen zonder de uitwerking die ACIM op mij had. Had TM of andere soort meditatie niet hetzelfde effect gehad? Nee; ik deed namelijk al wel aan meditatie, maar daarbij ging het me alleen om lichamelijke balans, harmonie en ontspanning. Bij ACIM en de Quakers zijn dit (prettige) neveneffecten; hoofddoel is een heel andere, namelijk het afstemmen op het Licht, de innerlijke leiding (of, bij Quakermeetings, de ‘geest van de meeting’). ACIM voegt hier nog iets aan toe. Door af te stemmen op de Waarheid, al is het maar vijf minuten lang, vermeerder je vrede en vreugde in de wereld, en help je daarmee vele anderen. Wat je ontvangt, geef je, en wat je geeft, ontvang je. De stilte-momenten zijn dus enorm belangrijk, en niet alleen voor jezelf, maar ook voor anderen. Ik meen overigens dat ook de contemplatieve kloosters deze gedachte kennen.
Zo zijn er veel punten van overeenkomst tussen Quakers en ACIM, waarbij ACIM steeds iets toevoegt aan de Quakergedachte, en dus eigenlijk een stapje verder gaat. Dat maakt het boek interessant voor Quakers. Voor ACIM-cursisten is het interessant om te horen dat de lessen van het cursusboek eigenlijk al eeuwenlang door Quakers in praktijk worden gebracht.
Als voorbeeld zal ik een belangrijke schakel tussen de Quakers en ACIM wat nader toelichten; de eenheid en gelijkheid tussen mensen, en de daaruit voortvloeiende betrokkenheid bij de medemens. Van oudsher zijn Quakers hier (naar algemeen bekend zal zijn) al van doordrongen, maar misschien werpt de uitleg van ACIM toch nog een nieuw licht op deze basisgedachten. De cursus stelt met nadruk dat alle mensen voor God één zijn en gelijkwaardig, want we zijn allen door Hem geschapen (we zijn Zijn ‘gedachten’) en de tekst spreekt dan ook consequent van ‘broeder’ als het om onze medemens gaat. Onze broeder is ELKE medemens; niet alleen onze geloofs- of landgenoten, maar ook de spottende anti-religieuze collega, de Amerikaanse president, de misdadiger die je bedreigt enzovoort. Dit lijkt misschien zonneklaar, maar ik moet bekennen dat ik bij de eerste lezing van het boek me steeds met ontzetting afvroeg: is dan echt IEDEREEN mijn broeder? Misschien vinden Quakers die oprechte verbazing heel vreemd, maar ik herinner me die emotie nog goed. Blijkbaar was me dit niet meegegeven in mijn christelijke opvoeding. Als we allen kinderen van God zijn, is ontzag voor medemensen niet nodig, leert ACIM ons, en we moeten dan ook niemand met speciale egards bejegenen. Al vanaf George Fox hebben de Vrienden dit gelijkheidsprincipe omarmd. Fox waarschuwde dat het ‘eer van mensen zoeken’ tegen het Koninkrijk indruist, en hij deed daarom principieel niet mee aan de ‘hat-honour’; het hoed afnemen voor eerbiedwaardige personen, en hij gebruikte ook geen speciale aanspreekvormen. (Ik meen ook dat Quakers nog altijd liever geen titels gebruiken.) Ook ACIM leert ons dat alleen God ons ontzag toekomt. Zelfs Jezus moeten we niet met ontzag beschouwen, maar ook als onze ‘broeder’, want hij is onze gelijke (die echter meer kennis heeft en ons daarom leiding en onderricht kan geven). Gezamenlijk vormen we het Zoonschap (dit is ook een Quakerterm); en onze eenheid wordt uitgedrukt met de term de ‘Ene’ Zoon van God. Zoals ik heb gemerkt gebruiken de Quakers ‘Vriend’ als aanspreekvorm allereerst voor mede-Quakers en dan pas voor buitenstaanders (maar dan ‘vriend,’ zonder hoofdletter), maar ACIM zou dit onderscheid afwijzen, en gaat hierin dus een stapje verder dan de Quakers. In beide gevallen kan worden opgemerkt dat vrouwen zich dus maar moeten schikken in deze mannelijke termen, omdat er voor hen geen Vriendin of Zuster wordt gebruikt. Als door de wol geverfd feministe heb ik hier echter nooit moeite mee gehad, omdat zowel in het Quakerisme als in the Course de gelijkheid van alle mensen zo duidelijk als een paal boven water staat, dat het ondenkbaar is dat de gehanteerde (mannelijke) term niet voor vrouwen zou gelden. In feite worden de traditionele termen (God de Vader, de Zoon, Heilige Geest, broeders) in deze cursus ontdaan van hun mannelijke inhoud, en gevuld met een inclusieve, geen onderscheid makende betekenis.
Deze basisgedachte over Eenheid en gelijkwaardigheid heeft nogal wat consequenties. Immers, als we allen in werkelijkheid Een zijn, dan is geven in feite ontvangen; en dan is ook vergeven in feite vergeving ontvangen. Quakers zijn vertrouwd met de gedachte dat het eigen welzijn onlosmakelijk verbonden is met het welzijn (of het heil) van de ander: actieve sociale betrokkenheid is altijd een kenmerk van de Quakers geweest. Het volgen van het inwaartse Licht (een Quakeruitdrukking) is dan ook onverenigbaar met geweld gebruiken en oorlogvoeren; we kunnen niet tegelijkertijd van God houden en onze broeder kwaad doen. Dit gedeelte van ACIM is denk ik heel fascinerend voor Quakers, en misschien niet eens heel ‘extreem’ voor de meesten. Ik probeer een heldere samenvatting te geven. Allereerst stelt de cursus dat kwaadheid nooit of te nimmer gerechtvaardigd is. Driftigheid, boosheid, ja zelfs irritatie zijn nooit gerechtvaardigd, want ze staan liefde in de weg en komen voort uit vrees (voor verlies of gebrek). De cursus heeft er dus geen goed woord voor over, en benadrukt een verregaande geweldloosheid, waarin vergeving de hoofdrol speelt. Tegelijkertijd moeten we ons realiseren dat vergeving bij God niet nodig is. Hoe zit dit? Deze hele gedachtengang is een logisch gevolg van de basisgedachte over eenheid en gelijkwaardigheid. Immers: in werkelijkheid zijn we allen Een; allen broeders, geliefd door God, en door Hem gezegend met liefde voor elkaar. Wie denkt dat hij een ander haat, of door hem gehaat wordt, vergist zich (hij droomt, zoals Adam al droomt sinds hij in het paradijs in slaap viel). Wat mijn broeder mij aandoet in zijn illusie, is dus niet werkelijkheid; want in werkelijkheid kwetst of verwondt hij mij niet-dat is onmogelijk bij God-en in werkelijkheid is er dus ook geen vergeving nodig. God zelf ziet de zonde niet aan (zoals ook in de psalmen staat); en wij zouden dat ook niet moeten doen. Maar, zegt de cursus, dat is nog wel erg veel gevraagd voor de meeste mensen (en wie twijfelt daar aan?), en daarom is voor ons vergeving juist heel erg belangrijk. We worden dan ook opgeroepen om onze broeder (en onszelf!) consequent en voor alles te vergeven-een onvoorwaardelijke en totale vergevingsgerzindheid, dus. Deze vergeving opent de weg tot de liefde, en is dan ook de poort naar het Koninkrijk. In het Koninkrijk zelf (en daarmee wordt geen plaats bedoeld, maar een geestelijke staat van vrede, vreugde en eenheid) is vergeving niet meer nodig. In een gespreksgroep over vergeving in de NON vorig jaar hebben we ook over deze gedachten gesproken, waarbij we ook, enigszins voorzichtig, tot de slotsom kwamen dat vergeving mogelijk moest zijn, in alle gevallen. ACIM is, zoals gezegd, erg praktisch, en geeft dan ook een groot aantal concrete oefeningen in vergeving, die soms regelrecht uit het boeddhisme lijken te komen, zo viel mij op. En dus, de vragen of oorlog gerechtvaardigd is, en of geweld mogelijk moet zijn, in welke vorm dan ook; dat zijn vragen die in ACIM eigenlijk niet eens aan bod komen. In plaats daarvan biedt het oefeningen om de muren tussen ons en de ander af te breken, om onze ‘vijand’ in hetzelfde licht te plaatsen als onze ‘geliefde,’ om te geven, te vergeven, tot ‘zeventig maal zeven’ toe.
Tot zover enige verbindende schakels tussen Quakers en ACIM. Veel valt er nog te zeggen over andere punten van overeenkomst, maar laat ik besluiten met de belangrijkste gemeenschappelijke basisgedachte, over de werkelijkheid van het licht; de kracht van Christus in ons, de aanwezigheid van de Heilige Geest, ofwel ‘dat van God in ons’. God, de oneindige, onveranderde en liefdevolle Vader die buiten tijd en ruimte staat, wil kenbaar en realiseerbaar zijn door die innerlijke vonk in het eigen hart. Het is geweldig--om stil van te worden!
Irene Visser
Irene Visser is bereikbaar per e-mail:
mailto:i.visser@let.rug.nl
(onderwerp: Vriendenkringverhaal op www.vrijzinnig.net)
Zie voor de website van het Religieus Genootschap der Vrienden (Quakers):
http://www.vriendenkring.info
Idols: idolen of afgoden?
Het woord "idols" is al aardig ingeburgerd nu de populaire talentenjacht met die naam wereldwijd opgang maakt. Ik heb het programma zo lang mogelijk vermeden, maar door mijn dochters enthousiasme aangestoken heb ook ik gebiologeerd naar de competitie van de "world idols" gekeken, en kan nu vertellen aan wie het nog niet wist: onze idool Jamai heeft het in de competitie met de wereldidolen helaas afgelegd (laatste plaats). De winnaar was een onooglijk ventje uit Noorwegen, met een prachtige stem: verrassend bewijs dat je zelfs zonder Hollywood-uitstraling in deze vorm van showbiz serieus kunt worden genomen (de jury had hem voorgehouden dat hij alleen radio zou kunnen doen). Maar dit alles was vast al bekend; zelfs als je geen tv kijkt, is er altijd nog de krant, de tijdschriften: men kan nu eenmaal niet om "Idols" heen. Ik ben nog altijd niet aan het woord "idols" gewend. In het Engels heeft het twee hoofdbetekenissen: naast onze betekenis van het woord (dus iets/iemand die grote bewondering/verering ten deel valt), ook nog de betekenis van "afgodsbeelden","valse goden." De Engelse bedenker van het programma heeft denk ik de gangbare, nietreligieuze betekenis bedoeld, maar de tweede zit er, ironisch genoeg, toch ook sterk bij: zoals het volk Israel het niet kon laten om afgodsbeelden als het gouden kalf te maken, en regelmatig valse goden naliep, zo kun je in "Idols" nu ook nalopen wat mooi lijkt maar niets oplevert, en wat je van het werkelijk waardevolle afhoudt. Ga ik nu niet wat kort door de bocht? Je kunt namelijk een geweldige carriere aan "Idols" overhouden! Jamai is door zijn succes in één klap een bekende Nederlander geworden, en hoeft zich over zijn gemiste schoolopleiding (hij volgde de mavo) vooreerst geen zorgen te maken. Er geven zich dan ook grote aantallen jonge mensen op voor de talentenjacht, zelfs zoveel dat bij de voorselectie al heel veel moeten afvallen. In hun hoop op succes nemen ze dan maar voor lief dat ze een publiekelijke afgang riskeren, en meedogenloos kunnen worden neergesabeld door de jury. En in spirituelere termen kun je zeggen: het programma appelleert aan een diepmenselijke behoefte om gekend en erkend te worden. In A Course in Miracles wordt ook over idolen gesproken. Hier is "idols" een verzamelnaam voor alles wat ons van God afhoudt. Alles wat het Licht in de weg staat, is een idool. Ook ons werk, hobby's, sport en spel, kunnen idolen zijn; dus zelfs zaken die op zich genomen nuttig, aangenaam en nodig zijn. Maar als ze al onze aandacht gevangen houden, dan staan ze het Licht in de weg, en werpen schaduwen op ons pad. Als we onze idolen aan de kant zetten, en kiezen om onze aandacht op God te richten, zullen we ons dagelijks werk en onze bezigheden nog altijd wel belangrijk vinden, maar dit alles zal ons niet totaal en al meer in beslag nemen. En als het gebeurt dat we onze baan verliezen, of onze sport niet meer kunnen volhouden, dan betekent dit geen verlies van houvast, als onze eerste aandacht naar God uitgaat. Werk, sport en spel zijn tijdelijke activiteiten, in tegenstelling tot het vertrouwen in God. Als we ze zo bekijken, zullen ze nooit onze 'idols' worden, en kunnen we er eigenlijk onbezorgder, vrijer mee omgaan en zo er zeker evenveel (en misschien nog meer) voldoening en plezier van hebben. Idolen zijn dus obstakels in ons geloofsleven, ze zijn van tijdelijke aard, ze nemen veel aandacht in beslag, en ze brengen ons geen rust, vrede of geluk. Waarom zoeken we ze dan, zou je zeggen? A Course in Miracles legt uit dat idolen aantrekkelijk zijn omdat we denken dat ze ons voordeel op zullen leveren. Dat is per definitie de aantrekkingskracht van afgoden. Maar logisch gezien, betekent ons voordeel tegelijkertijd het nadeel van anderen: als wij meer krijgen, zullen anderen het dan maar minder moeten hebben. Dat is een betekenis van 'idols' waar we misschien minder bij stil staan. A Course in Miracles legt uit hoe we dit moeten begrijpen. We hopen van een 'valse god' voordeel te krijgen, maar dit is een illusie: een dergelijk voordeel bestaat niet in Gods werkelijkheid. Immers, zou God ons meer willen geven dan een ander? Nee, zo zegt dit boek met grote nadruk: zo werkt het niet bij God. Zijn krachtige liefde gaat naar een ieder van zijn kinderen gelijkelijk uit, zonder aanziens des persoons. Dus het idee om sommigen te bevoordelen boven anderen is God totaal en al vreemd. (Als we zo het idee van 'uitverkiezing' opvatten, zitten we dus fout.) Laten we eens proberen om ons voor te stellen dat we één zouden zijn met onze medemensen. Geen scheidslijnen van meer of minder, ras, nationaliteit enzovoort. Dan heeft eenieder evenveel: namelijk: overvloed, want alles wat er is, is ongedeeld en gemeenschappelijk. In materiële zin is dit beeld onmogelijk voor te stellen (tenminste voor mijn beperkte vermogens), maar in geestelijk opzicht is het voorstelbaar. Een prachtig beeld, maar wel is het wat ongewoon! We moeten dan namelijk het perspectief van het eeuwige kiezen, en ons voorstellen wat het betekent te leven vanuit onveranderlijke trouw, en onvoorwaardelijke liefde en zorg; zonder aanziens des persoons. In werkelijkheid is dit het enige ware perspectief, want het materiële zal vergaan. Gods werkelijkheid, de enige werkelijkheid, blijft. En daarom is het idee van meer te kunnen krijgen dan een ander slechts een illusie, een 'valse', nietbestaande god. Moeten we vrezen voor illusies? Moeten we 'idols', afgoden, krachtig bestrijden? Natuurlijk niet. Als het Licht schijnt, verdwijnen de schaduwen. In werkelijkheid blijkt er dan niets te zijn.
Irene Visser
Irene Visser is bereikbaar per e-mail:
mailto:i.visser@let.rug.nl
(onderwerp: Vriendenkringverhaal op www.vrijzinnig.net)
|
Ontwaken in Liefde |
HET SPIRITUELE PAD VAN EEN CURSUS IN WONDEREN
Ons leven is maar al te vaak een eindeloze en uitputtende strijd, vol met niet bereikte doelen en onbevredigende relaties. We lijken te leven in een vijandige en beangstigende wereld. We kunnen het gevoel hebben in een val te zitten, zonder nog te weten waar de uitgang is. En hoe harder we rennen, hoe meer we vastlopen. De wereld die in duisternis wandelt, kan niet in wonderen geloven, want de nacht kan zich onmogelijk de werken van het licht voorstellen. Voor wie een andere weg zoekt, is in 1999 het spirituele leerboek “Een cursus in wonderen” verschenen. Het is een spiritueel pad dat ons stap voor stap naar het ontwaken of de verlichting voert. Deze cursus laat zien hoe we zicht kunnen krijgen op ons ego, en hoe we vervolgens een radicale omslag kunnen maken in onze waarneming. Deze omslag van angst naar liefde - het wonder - helpt ons tenslotte geheel en al aan het ego voorbij te gaan. Dan zijn we niet langer het angstige en afgescheiden “ik” dat we dachten te zijn. Zo vinden we ons ware “zelf” terug. Dat is een ervaring van volkomen liefde, verbinding en eenheid. In haar boek “Ontwaken in liefde” beschrijft Margot Krikhaar met grote precisie en eerlijkheid haar eigen proces van ontwaken. Dat deed zij aan de hand van “Een cursus in wonderen”, en met Jezus als haar innerlijke leraar. Vanaf het moment dat de cursus in haar leven kwam, noteerde ze acht jaar lang alles wat ze tegen kwam in haar proces: de lessen van vergeving, het loslaten, het gevecht met zichzelf, en uiteindelijk de totale overgave aan de liefde van God. Haar persoonlijke verhaal kan anderen ondersteunen en bemoedigen. In het eerste deel beschrijft zij onder andere dat de “stem van de cursus”, ontegenzeggelijk dezelfde is als de innerlijke stem, die haar op een liefdevolle manier wil helpen. In het tweede deel van het boek laat ze in twaalf concrete en toegankelijke stappen zien wat het pad van vergeving van de cursus precies inhoudt en hoe dit in de praktijk van ons dagelijkse leven kan worden toegepast. Eén van die stappen behelst het herstel van de verbinding na de afscheiding. Dit boek is een verhelderende gids en wegwijzer voor iedereen die zich wil oriënteren op de inhoud van de cursus zonder nog direct tot aanschaf van dit omvangrijke cursusboek over te gaan.
|
|
Wat is 'een cursus in wonderen'?
Eind 1999 verscheen de Nederlandse vertaling van 'A Course in Miracles'. In diezelfde periode kwam ik ermee in aanraking. Hoewel ik niet werkelijk op zoek was naar een 'spiritueel pad' (ik putte graag uit vele bronnen) bleek 'Een Cursus in Wonderen' dat wél voor mij te zijn. Ik voelde al snel dat dit boek met zijn wonderlijke titel mij heel veel te bieden had. De Cursus is sindsdien een belangrijke leidraad en gids in mijn eigen transformatieproces en heeft me veel goeds gebracht. Op deze pagina wil ik daarom graag iets meer vertellen over dit boek .
"Dit is een Cursus over liefde, want hij gaat over jou"
Wat is het?
De Cursus bestaat uit drie delen. Het eerste is een tekstboek dat je kunt lezen en bestuderen. Het tweede deel is een werkboek dat bestaat uit dagelijkse 'lessen': meditaties rond een thema met de uitnodiging dit thema de hele dag door toe te passen op alle situaties die je tegenkomt. Door het werkboek te doen leer je de theorie en de visie van de Cursus in de praktijk toe te passen. Tenslotte is er het Handboek voor Leraren, met extra verduidelijkingen en aanwijzingen. Het boek is opgezet als een echte cursus of leerplan. De inhoud en het doel van deze cursus wijkt echter nogal af van de meeste andere cursussen die wij kennen. De leerweg van déze cursus is om uit onze ervaringen van angst gevoerd te worden naar de universele ervaringen van liefde, die onze enige werkelijkheid zijn. Om die weg te gaan is er maar één ding nodig: je dient je eigen denken te transformeren.
De Cursus is een ervaringsgerichte training. De gehele inhoud is erop gericht je te leren anders te denken en anders naar dingen te kijken. Veel zaken die je misschien in een 'spiritueel' boek zou verwachten, zoals wetenswaardig-heden over reïncarnatie, chakra's, sferen, verleden of toekomst van de wereld, zul je er niet in vinden. De Cursus is hier niet in geïnteresseerd, omdat theorieën hierover je denken niet transformeren. Naar mijn ervaring is dat juist de kracht van de Cursus. Mooie theorieën zijn uiteindelijk toch vrijblijvend en een theorie of filosofie die iemand aanhangt leidt niet per se tot verandering. De Cursus nodigt je uit echt bij jezelf naar binnen te gaan. Daarmee vertoont hij verwantschap met sommige Oosterse spirituele leringen, hoewel er ook verschillen zijn. Doordat de Cursus afwijkt van andere boeken die wij kennen, moet je er meestal in het begin erg aan wennen. Je vraagt je af wat er nu eigenlijk precies staat, en tóch voelt er iets vertrouwd in deze woorden en heb je het gevoel dat er binnenin je iets gebeurt. Daar komt bij dat de Cursus allerlei woorden en begrippen die wij kennen op een andere manier invult. De Cursus heeft zijn eigen specifieke taal. In de vorm is de taal christelijk, maar de betekenis van de gebruikte begrippen wijkt sterk af van de traditionele inhoud van deze begrippen. Je kunt de Cursus dan ook niet zonder meer een 'christelijk' boek noemen. De Cursus geeft zelf aan dat er naast hemzelf nog 'vele duizenden' spirituele leerwegen bestaan. Hij is dus niet 'de enige', of 'de beste'. Hij zegt echter ook dat iedereen ooit de leerweg van angst naar liefde moet gaan: dit is een onvermijdelijke scholing voor ieder mens. Voor sommigen van ons kan de Cursus hierin een gids zijn.
Waar het over gaat
Wat is dan de transformatie die volgens de Cursus voor ons zo noodzakelijk is? Twee citaten: "Dit is (...) een cursus over liefde, want hij gaat over jou." En: "Deze cursus (zal) je leren hoe jij je kunt herinneren wat jij bent, waardoor je jouw Identiteit hervindt." De Cursus wil ons helpen ons Zelf, onze ware natuur, terug te vinden. En ons Zelf is alléén maar liefde. Wij zijn grootse, glorieuze scheppingen van God. 'God' is een van de centrale begrippen in de Cursus. De Cursus maakt duidelijk dat wij vele beelden van 'God' hebben gemaakt die onjuist zijn, zoals God als een straffende, oordelende 'persoon'. Wanneer de Cursus over God spreekt, bedoelt hij totale en onvoorwaardelijke Liefde, onbegrensd, oneindig en totaal vormloos. En omdat wij 'scheppingen' van God zijn, zijn wij precies datzelfde. Wij zijn geest, en geen vorm, en dus ook geen lichaam. En wij zijn één met elkaar en één met God, hoewel wij onszelf ervaren als een 'ik' en vele afzonderlijke, vaak vijandige, 'anderen'. Onze ware identiteit, onze enige werkelijkheid, is voor ons niet echt te begrijpen. Wij zijn immers gewend te denken in termen van vorm, beperking, tijd en afzonderlijke personen met elk hun eigen 'ik'. Maar dat onze werkelijkheid liefde is, kunnen we wél ervaren, en dit is het doel van het 'leerplan' van de Cursus. Het biedt ons de universele ervaring van liefde aan. En geeft ons bovendien de mogelijkheid deze ervaring aan anderen door te geven. Dit is wat de Cursus het 'wonder' noemt.
Dit klinkt mooi, maar hoe zit het dan met de dagelijkse realiteit waarin ik mezelf ervaar, 'ik' met mijn zorgen, mijn behoeften en wensen, in een wereld waar dichtbij en veraf van alles gebeurt en een toekomst die ongewis is? De Cursus neemt hier een radicaal standpunt in; 'de wereld bestaat niet'. Dit is op zijn minst een uitdagende visie. De Cursus gaat hierin dan ook verder dan de christelijke kerken, new age en de meeste spirituele richtingen. Hoe ziet de Cursus dit dan? De Cursus legt uit dat wij, de schepping van God en deel uitmakend van God, een soort gedachtenexperiment zijn begonnen: we doen net alsof we 'op onszelf zijn' en een eigen 'wereld' maken. We doen net alsof God er helemaal niet is (we 'scheiden ons af van God') en wij onze eigen schepper zijn. Het probleem is nu dat we in ons eigen spel zijn gaan geloven: we denken dat het écht is. Het is alsof we met zijn allen in een droom zijn en dat niet beseffen, al voelen we érgens dat er iets niet helemaal klopt. Omdat wij nu in een 'droom' zijn bevinden ons als het ware op twee niveaus. Het niveau van onze eigen (Goddelijke) werkelijkheid die we grotendeels vergeten hebben, en het (niet werkelijk bestaande) niveau van deze wereld, die wijzelf zien als onze echte werkelijkheid. Je kunt ook zeggen: terwijl we altijd nog veilig in de 'hemel' zijn, dromen we dat we proberen te overleven in een beangstigende wereld. De Cursus is een weg om ons onze echte werkelijkheid te laten herinneren. Niet in één keer, dat zou te schokkend voor ons zijn, maar door de Liefde door onze (onechte) wereld heen te laten schijnen. We kunnen die hier gaan ervaren, en zo langzaam met ons bewustzijn teruggevoerd worden naar onze ware Identiteit. We ontwaken beetje bij beetje uit onze droom, terwijl we gewoon in onze wereld te blijven functioneren, maar op een liefdevolle manier en steeds meer vanuit het bewustzijn dat onze Werkelijkheid elders is.
Wat bedoelt de Cursus nu precies als hij zegt dat onze wereld niet werkelijk is en wij die zelf gemaakt hebben? Volgens de Cursus is onze geest (in het Engels 'mind', vertaald als 'denkgeest') in staat om gedachten die zich ín onze denkgeest bevinden naar buiten te projecteren, zodat die gedachten om ons heen lijken te zijn als vormen, personen, gebeurtenissen, en ook als tijd en ruimte. Wij menen dit alles waar te nemen met onze zintuigen (we zien het, horen het, voelen het etc.) maar in feite is alles als een film die geprojecteerd is vanuit de denkgeest die dient als een projector. De film - of zoals de Cursus haar noemt: de droom - is behoorlijk uit de hand gelopen. Wij ervaren veel pijn, agressie, geweld, angst, eenzaamheid. Daarom is het nodig te ontwaken uit de droom. De Cursus legt uit waarom onze droom wel op een nachtmerrie móet uitlopen. De hele droom komt voort uit de eerste gedachte van het gedachtenexperiment: 'ik heb mij afgescheiden van God'. Hoewel dit niet mogelijk is, denken wij dat het waar is, en juist omdat het niet kan leidt dit onvermijdelijk tot een enorm (onbewust) schuldgevoel. En wie zich schuldig voelt, is bang dat er straf zal volgen, en nu ontstaan een mechanisme van schuld-angst-straf. Hier komt een heel 'eigen' denksysteem uit voort, dat door de Cursus het ego wordt genoemd. Het ego projecteert de eigen (zogenaamde) schuld uit naar buiten en ziet daardoor allerlei schuldige anderen om zich heen. En zo ontstaat een wereld van schuld en angst, van vijanden en strijd, van aanval en verdediging. De Cursus beschrijft deze mechanismen heel duidelijk en op een indrukwekkende manier. En geeft ook de uitweg aan: wanneer onze denkgeest zich niet meer identificeert met deze ego-gedachten, is het hele probleem opgelost. Probeer niet de film te veranderen, maar zet een andere film in de projector. Misschien lijkt het alsof de Cursus hiermee domweg een 'vlucht' uit de wereld aanbiedt. Dat is niet zo, zoals je hieronder kunt lezen. De Cursus vraagt je niet je van de wereld af te wenden, maar je er liefdevol naartoe te wenden.
Welke weg de cursus aangeeft
Deze theorie klinkt misschien mooi (of niet…), maar wat is nu de praktijk wanneer je 'student' wordt van de Cursus? Het boek wil je een praktische uitweg bieden om te ontsnappen aan de angstdroom, en maakt daarvan gebruik van de wereld zoals wij die zien. Want hoewel deze niet werkelijk is, is dit wel ons 'beginpunt' omdat wij hier op dit moment geloof aan hechten. Maar omdat onze denkgeest de oorzaak is van hoe wij onszelf ervaren en van de wereld die wij zien, richt de Cursus zich op transformatie van de denkgeest (de projector: de oorzaak) en niet op veranderingen in de wereld (de film: het gevolg). Omdat wij in werkelijkheid Liefde zijn (dat hoeven we dus niet te leren) gaat het erom de blokkades weg te nemen die ons nu beletten deze liefde voluit te ervaren. Die blokkades zijn de beelden en de oordelen die wij op onszelf, en vooral ook op anderen gelegd hebben. De transformatieweg die de Cursus gebruikt heet 'vergeving'. Ook dit heeft hier een andere betekenis dan gebruikelijk. Omdat het ego onze (niet werkelijk bestaande) 'schuld' bij de ander wil leggen, vraagt vergeving ons het tegenovergestelde te doen: in elke ontmoeting met wie dan ook uitsluitend de liefde in de ander zien en tevens in onszelf. Als het ware een ontmoeting van Zelf tot Zelf. Dit is een innerlijk proces, maar je uiterlijke reactie op de ander zal altijd een liefdevolle zijn, in een passende vorm. Vergeving betekent ook: volledige acceptatie, je eigen oordelen loslaten, afzien van alle gevoelens van haat, wrok, of vijandschap (dit zijn immers projecties van het ego). En ook zelfvergeving: je eigen negatieve zelfbeelden gaan loslaten en je eigen vergissingen of fouten vergeven. Alleen ons liefdevolle Zelf is immers echt, en onze 'zonden' bestaan niet en waren niet meer dan momenten waarin je de liefde even vergeten was. En zoals je jezelf ziet, zo zie je ook de ander! Vergeving betekent dat wanneer een ander je lijkt 'aan te vallen' je beseft dat hier alleen verwarring is: de ander is blijkbaar even de liefde vergeten en zijn of haar onderliggende vraag is de roep om hulp en om liefde in een voor hem of haar passende vorm. Vergeving houdt tevens in dat je gaat beseffen dat je compleet bent als de schepping van God. Als je beseft dat je ware aard liefde is, hoef je niets meer bij een ander te 'halen', en wordt je enige behoefte te delen. En aangezien de ander ook liefde is, zijn we allemaal gelijkwaardig, verbonden en één, en is niemand 'specialer', meer of minder dan de ander. De weg van vergeving is een leerweg om met veel geduld en mildheid voor jezelf te gaan, want het is een totale deconditionering van de denkgeest. De Cursus ondersteunt ons hierin, o.a. door de werkboeklessen. Maar ook doordat gaandeweg de denkgeest steeds minder gaat luisteren naar de stem van het ego, en steeds meer open wordt voor een andere, liefdevolle 'stem', die de Cursus de Stem namens God noemt. Zo onstaat een proces van innerlijk afgestemd zijn en leiding ontvangen, wat je transformatieproces zeer ondersteunt. De Cursus gebruikt dus ons dagelijks leven als leerweg en oefenterrein. De valkuil dat een spiritueel pad theoretisch of zweverig is wordt daarmee vermeden. De Cursus is niet een weg van het hoofd maar van het hart en van de dagelijkse praktijk: relaties en ontmoetingen met anderen.
Zou je meer willen weten over 'Een Cursus in Wonderen', kijk dan eens op de website van Miracles in Contact (MIC), een stichting die informatie geeft over o.a. activiteiten en lezingen over de Cursus. Je kunt hier ook boeken bestellen. Zie http://www.miraclesincontact.nl
Literatuur
Er zijn verschillende boeken over 'Een Cursus in Wonderen', waarvan ik er hier enkele noem. Deze boeken zijn alle geschikt om ter oriëntatie te lezen, al legt elke schrijver/schrijfster wel zijn of haar eigen accenten. De beste oriëntatie is dan ook de Cursus zelf. Kenneth Wapnick, Inleiding tot Een Cursus in Wonderen, uitg. Ankh-Hermes D. Patrick Miller, Het verhaal achter Een Cursus in Wonderen, uitg. Ankh-Hermes Koos Janson, Wat zegt Een Cursus in Wonderen over zichzelf? (brochure) Marianne Wiliamson, Terugkeer naar Liefde, uitg. De Zaak Robert Perry, Path of Light, Stepping into peace with A Course in Miracles, uitg. Circle Publishing 'Een Cursus in Wonderen' (Nederlandse vertaling) is uitgegeven door uitgeverij Ankh-Hermes
De kikker en de waterput
Mohandas Ghandi zal, denk ik, bij alle quakers bekend zijn om zijn geweldloze strijd voor vrede en gerechtigheid. Als politiek leidsman probeerde hij met al zijn vermogens om de religieuze twistpunten van de elkaar bestrijdende groeperingen in India te verzoenen. Zo noemde hij zichzelf ooit christen, hindoe, moslim en boeddhist - als om aan te geven dat er een dergelijk samengaan van godsdiensten heel goed mogelijk is. Ik vind deze uitspraak van mahatma ("grote ziel") Ghandi heel inspirerend, en hoewel ik ook weet dat hij elders het hindoeisme zijn religie noemt, als "de religie van de menselijkheid", de godsdienst die het beste van alle godsdiensten in zich sluit, is hij voor mij toch voornamelijk iemand die de scheidslijn tussen de godsdiensten wilde opheffen. Als we tot een geloofsopvatting komen, lijkt het wel onvermijdelijk dat we onszelf identificeren met dit geloof, deze gebruiken of rituelen, en alle terminologie en "getuigenissen" die erbij horen worden ons dan dierbaar. Het doet dan pijn als anderen hierover grapjes maken of er mee spotten. De menselijke neiging is om wat je dierbaar is af te schermen, te verdedigen tegen de aanval. En een stapje verder zetten we zelf de aanval in, die zoals de angst ons dicteert, de "beste verdediging" is. Het kan ongemerkt en in het klein optreden, deze menselijke neiging. Ik moet denken aan een gesprek over de stilte. De stilte die we ervaren in de quakermeeting is anders dan de stilte die we thuis ervaren, of tijdens een boeddhistische bijeenkomst, of bij een ont-spanningsmeditatie. Als we hierover praten vanuit onze persoonlijke ervaring, hebben we een mooi gesprek. Gaan we echter generaliseren, dan zijn we zomaar aanbeland bij de vraag of de ene stilte niet beter is dan de andere, en dan klinkt er al gauw door onze woorden heen dat onze quakerstilte toch gewoon "de beste" is. Zo heeft niemand het bedoeld, maar toch komen we op zo’n uitkomst, omdat we naar voren willen brengen wat ons dierbaar is en omdat we met andere godsdiensten en hun gebruiken niet zulke ervaringen hebben opgedaan. De menselijke neiging is dan om de eigen ervaring tot norm of tot het ideaal te verheffen. Juist bij godsdienst speelt deze menselijke neiging sterk, en vooral bij "bekeerlingen" ofwel mensen die ontdekt hebben wat voor hen belangrijk is, en wat voor hen de antwoorden zijn op de grote levensvragen. Evenzo zie je dit bij degenen die juist hun vroegere religieuze opvattingen afwijzen. De neiging treedt dan op om jezelf als "verder" te zien als een ander, die "achter" blijft omdat hij nog denkt zoals jij vroeger dacht. Ik moet denken aan iemand die ooit eens te gast bij onze NON-meeting was. Hij had geleerd wat de beste meditatiehouding is en was nu geschokt om te zien hoe de Vrienden erbij zaten tijdens de stilte. Iedereen zat maar op zn eigen manier, sommigen met de benen over elkaar, anderen wat scheef onderuit gezakt. "Zo kan dat niet hoor!" verzekerde hij mij later en drukte mij op het hart om toch aan iedereen te vertellen dat je rechtop moest zitten, met de benen naast elkaar, en de handen open in de schoot. Dat alleen was de juiste houding. (Ik meen dat ik dit ook werkelijk aan de Vrienden heb doorgegeven. Die hebben het vriendelijk aangehoord en daarmee was de kous af. We zitten nog altijd even slordig). Op een ander vlak werkt dezelfde menselijke neiging. Zo kun je tot het inzicht zijn gekomen dat God niet God is, dat wil zeggen, dat God niet gevat kan worden in het beeld van God dat je tot nog toe had, of dat gangbaar is in jouw omgeving (of in welk beeld dan ook). Het woord God gebruiken, dat wil je dan niet meer; je gebruikt daarvoor liever andere woorden, die (nog) abstracter zijn. De neiging is dan heel menselijk om in discussie te treden met de ander die nog wel argeloos van "God" spreekt, in de hoop de ander ook tot dat voor jou zo bevrijdende inzicht te brengen. Helaas zal de discussie vaak teleurstellend zijn, want de ander wil helemaal zijn God niet opgeven, en verzet zich tegen het idee dat hij het bij het verkeerde eind heeft. Van Bonhoeffers prachtige uitspraak, "Der Gott, den es gibt, gibt es nicht," kun je niet verwachten dat die direct bij iedereen weerklank zal vinden, en ook de diepzinnige uitspraak "als je de boeddha tegenkomt, dood hem dan" zal niet direct begrijpelijk zijn. Het bij herhaling uitleggen dat God vormloos is en onpersoonlijk (geen Persoon), zal overkomen als bedreigend voor iemand die van God houdt bij deze naam en die in navolging van Jezus vertrouwelijk met hem spreekt als Vader. Veel onrust kan ontstaan door deze kwestie en dat is zonde en jammer. Want waarom zou een iemand hierin meer gelijk kunnen hebben dan een ander? En wat dan nog, als je gelijk hebt? De uitdaging is de gemeenschappelijke grond te vinden, die er wel degelijk is. Immers, het onnoemelijke mysterie dat we God noemen is niet te bevatten voor een mens - daarover zullen we het eens zijn. De historische, feitelijke correctheid van de bijbelverhalen wordt al zeer lange tijd aangevochten en anderzijds ook weer fel verdedigd, en voor veel mensen is het nu onduidelijk hoe ze over die verhalen moeten denken. Waar gebeurd, of niet? Gerard van den Dool schreef daar een fijngevoelig stukje over in de Vriendenkring van mei jongstleden. Als je tot het inzicht bent gekomen dat de wonderverhalen van de Bijbel niet waar gebeurd zijn, maar wel waar in symbolische zin (dus Jezus liep niet daadwerkelijk over het water maar hij hielp en helpt als je geestelijk in nood verkeert), is misschien de menselijke neiging groot om jezelf als verder te zien dan anderen, en om anderen te helpen de bijbel net zo te lezen als jezelf. Het gevaar is dan groot dat je anderen afwijst die wel de wonderverhalen aannemen als "echt gebeurd" of zelfs, dat je de wonderverhalen als "verzinsels" afdoet - en dat, lijkt mij, is het kind met het badwater weggooien. We hebben geen geschriften van de hand van Jezus zelf. Hij benoemde ook geen secretaris om zijn toespraken en onderricht op schrift te stellen. Zou dit op zich al niet betekenen dat we ons verstand moeten blijven gebruiken in het lezen van de bijbelverhalen? Zoals Ghandi schrijft: we moeten niet zijn als de kikker in de waterput, die zich inbeeldt dat het universum eindigt bij de muur die de put omgeeft, en denken dat onze opvatting alleen de Waarheid vertegenwoordigt. In het geloof, zo zeggen ook de Benedictijnen al van oudsher, zijn we allen beginnelingen. Wie kan zeggen dat hij God geheel en al kan begrijpen? De wijze Ramakrishna zei het heel beeldend: we zijn als de mier die een suikerkorreltje vindt van een onoverzienlijk grote berg suiker. Hoe dom is de mier die denkt, "ik kom zo dadelijk terug om die hele berg suiker mee te dragen." Ghandi legt het zo uit: als we het volledige inzicht van de Waarheid hadden bereikt, zouden we niet meer zoekende zijn, maar zouden we Een zijn geworden met God, want God is Waarheid. Maar aangezien we slechts zoekers zijn, vervolgen we steeds verder onze zoektocht, ons ten zeerste bewust van onze tekortkomingen. En gezien onze onvolkomenheden, kan de godsdienst die we aanhangen ook niet helemaal perfect zijn. Elke godsdienst is dus onvolkomen, en evolueert steeds verder door aanpassingen en herinterpretaties. Dit maakt vooruitgang mogelijk, en zo zijn we op weg naar God.
Irene Visser
|
 |
|
 |
|
 |
 |
 |
|